Om Spinoza goed met Homerus en Plato te kunnen vergelijken, willen wij omtrent de punten, die wij bij deze twee onderzocht hebben, ook zijn gevoelen trachten te vernemen.
Dat geest en ligchaam evenzeer tot het wezen van den mensch behooren leert Spinoza uitdrukkelijk, als hij zegt : dat het denkende en het uitgebreide wezen ééne en dezelfde zaak is, maar onder twee verschillende eigenschappen beschouwd (1). Hij spreekt dan ook bij herhaling over de parallelie tusschen de aandoeningen des ligchaams en de denkbeelden van den geest; (2) en leert bepaald: dat het vermeerderen van de geschiktheid des ligchaams en de uitbreiding der geestvermogens hand in hand gaan ; (3) ofschoon het hem nog niet gelukt is het verband tusschen die twee behoorlijk te verklaren, en te doen zien : hoe en waarom zuiver ligchamelijke aandoeningen vrolijke of sombere gedachten kunnen te weeg brengen , en omgekeerd zuiver geestelijke vreugd of droefheid gezondheid of ziekte des ligchaams kan doen ontstaan/ De oorzaak hiervan is deze , dat hij zijn eigen beginsel, eenheid van ziel en ligchaam , nog niet consequent genoeg heeft ontwikkeld. Zijn ziel en ligchaam werkelijk slechts twee kanten van één wezen : dan kan de eene niet getroffen worden, zonder dat dit op de andere terugwerkt.
Hieruit volgt reeds , dat het voor den mensch niet onverschillig kan wezen, hoe zijn ligchaam gesteld is, en dat het dooden van het vleesch niet in Spinoza’s stelsel kan voorkomen, maar hij. integendeel uitdrukkelijk leeren moet : dat alles wat den welstand des ligchaams bevordert, ook den geest geschikter maakt, om zijne taak te vervullen (4). Ja in de bepaling van het hoogste goed, die hij in een zijner meer populaire geschriften geeft , neemt hij de gezondheid des ligchaams uitdrukkelijk op (5).
De wijze weet zeer goed, dat de natuur niet ten zijnen behoeve is ingerigt, maar hare eigene wetten volgt, waaraan hij evenzeer als ieder ander moet gehoorzamen (6). Desniettemin is hij. voor aardsche dingen niet onverschillig, maar erkent, dat de menschelijke zamenleving, hoe gebrekkig ook, veel beter is dan de eenzaamheid (7); en weet de voordeelen , die de uiterlijke wereld hem aanbrengt, op de regte waarde te schatten (8).
Vreugd , genot is op zich zelf genomen goed , eii geene godheid rekent ons droefheid en pijn als verdienste toe ; ja het is even geoorloofd de zwaarmoedigheid te verdrijven als honger en dorst te stillen, en een verstandig mensch verkwikt en vervrolijkt zich door matig gebruik van aangename spijs en drank, door welriekende, schoone bloemen en planten, door sieraad, muzijk, lichaamsoefeningen , den schouwburg en andere dergelijke dingen, waarvan ieder zonder eenig nadeel voor anderen gebruik kan maken (9). Met dat al kan vermaak schadelijk worden, zoodra het slechts een gedeelte van ons wezen raakt, daar het geheel er bij lijden kan, en in dat geval is de smart als middel van genezing heilzaam (10).
Spinoza zegt van de betrekking tusschen man en vrouw het volgende. Bloot zinnelijke liefde verandert ligt in haat, en is somtijds zelfs eene soort van krankzinnigheid, die door oneenigheid nog meer wordt aangeprikkeld, en ontucht is bepaald verderfelijk; maar het huwelijk komt ongetwijfeld met de rede overeen, indien de begeerte naar ligchamelijke vereeniging niet alleen door schoonheid maar ook door den wensch om kinderen te telen en verstandig op te voeden wordt opgewekt, en de liefde van weerskanten niet alleen door schoonheid, maar vooral door waardering van geestelijke hoedanigheden ontstaan is (11). Hij erkent dus wel degelijk de geestelijke hoedanigheden in de vrouw, ofschoon hij ze niet even als Plato in de regering wil laten deelen, maar dit denkbeeld als onpraktisch verwerpt (12). De emancipatie der vrouwen vindt evenmin als de emancipatie van het vleesch in hem eenen voorstander.
Het geld vindt Spinoza als middel om de ruiling der benoodigheden gemakkelijk te maken zeer goed, doch beschouwt het als onverstandig, wanneer men het geld om het geld zelf, niet om hetgeen er voor te verkrijgen is begeert. Die het ware nut van het geld weet en niet meer wenscht dan hij noodig heeft, leeft met weinig vergenoegd (13).
Dat de hartstogten tot de natuurverschijnsels behooren, die uit de wederkeerige werking der eindige dingen ontstaan, en als zoodanig even belangrijk zijn als alle andere natuurverschijnsels leert Spinoza uitdrukkelijk. Hij zegt : dat hij ze niet wil verfoeijen als de zwartgalligen, noch bespotten als de hekeldichters, maar begrijpen; en dat hij er dus evenzoo over spreken zal , als of hij lijnen, vlakken en ligchamen behandelde (14). En nadat hij vele gevolgen van hoogmoed besproken heeft, voegt hij er bij: dat men ook in de hartstogten de kunstige inrigting der natuur kan opmerken, en hij dus niet geacht wil worden de verkeerdheden en ongerijmdheden der menschen te verhalen, maar de verschijnselen der menschelijke natuur te beschrijven. Daarom teekent hij datgene op, wat in de hartstogten voor den mensch voordeelig of nadeelig is , en behandelt ze even als Maury de orkanen, die men de hartstogten der natuur zou kunnen heeten, met het doel, om door ze te leeren kennen de middelen te vinden, om ze onschadelijk te maken en zich aan hunne heerschappij te ontworstelen (15). Hiermede stemt geheel overeen, dat hij uitdrukkelijk leert : God is van hartstogten vrij en wordt door geene aandoening van droefheid of vreugd getroffen (16). Dit is evenwel bij hem een gevolg van Gods oneindigheid, bij Plato van Gods onstoffelijkheid.
De begrafenis is niet van zooveel belang voor eenen wijsgeer, dat zij eene afzonderlijke behandeling vordert, en het is alleen om het gewigt, hetwelk Homerus er aan hecht, dat wij ook bij Plato en Spinoza er van spreken. Evenwel is het ontegenzeggelijk, dat iemand, die erkent, dat de inrigting van het menschelijk ligchaam door hare kunstmatigheid alle voortbrengsels der menschelijke kunst verre overtreft, de overblijfselen van dit kunststuk na den dood met den noodigen eerbied zal behandelen (17).
De ware wijsgeer denkt weinig om den dood, en wordt door vrees daarvoor niet bewogen, maar zijne wijsheid is eene oefening in wèi te leven (18) , waarvan het wel sterven van zelfs een gevolg is; want die zich vooraal beijvert, om God te leeren kennen en overeenkomstig met die kennis te handelen , zal in zijn leven gelukkig wezen, doordien hij zich blijmoedig in zijn lot schikt (19), zijne medemenschen liefheeft (20) , en door hen bemind wordt (21); en hij behoeft den dood niet te vreezen, daar hetgeen van hem bij den dood vergaat in vergelijking van hetgeen overblijft van geen het minste belang is (22).
Het is dan ook onjuist, dat volgens Spinozistische beginsels de onsterfelijkheid moet ontkend worden. Volgens hem is het wel noodzakelijk, dat indien het ligchaam bij bij den dood vergaat ook de geest vergaan moet ; maar evenzeer is het noodzakelijk, dat indien er van het ligchaam iets overblijft, het deel van den geest, dat daarmede verbonden is, evenzeer blijven moet. Nu is het echter ontegenzeggelijk, dat de bestanddeelen des ligchaams blijven en alleen in nieuwe conbinaties met andere deelen der natuur opgenomen worden. In zooverre is het voortbestaan van den geest verzekerd. Van die nieuwe combinaties weten wij echter nog te weinig, om er eene theorie op te bouwen.
Gewoonlijk meent men, dat Spinoza het denken alleen als kenbron beschouwt en de waarneming verwaarloost; doch dit is bepaald onjuist; Deze dwaling is ontstaan uit zijne geometrische methode , die echter meer eene wijze van doceren dan van philosopheren is. Ten betooge, dat Spinoza werkelijk de ervaring, ook de zinnelijke, als kenbron erkende, beroep ik mij vooreerst op zijne metaphysische theorie, daar hij de uitgebreidheid even wezenlijk als het denken noemde, en in zijn stelsel, dit als het beginsel van den geest , gene als dat van de natuur moet beschouwd worden (23) , weshalve hij ook uitdrukkelijk leerde, dat ons ligchaam, zooals wij het voelen werkelijk bestaat (24) ; verder op zijn uitdrukkelijk en herhaald beroep op de ondervinding (25) ; vervolgens op zijne uitspraken: naar mate wij de enkele dingen beter begrijpen , begrypen wij ook God beter (26) , en : alleen uit algemeene axiomata kan het verstand niet tot de enkele dingen afdalen , nademaal de axiomata op oneindig vele dingen van toepassing zijn, en zij het verstand niet meer tot de beschouwing van het ééne dan van het andere enkele ding nopen (27) ; eindelijk op zijne vlijtige beoefening van de proefondervindelijke natuurkunde, waarvan zijne brieven eene menigte voorbeelden opleveren. Het is dus slechts bij eene oppervlakkige beschouwing mogelijk, dat men Spinoza van miskenning der ervaring beschuldigt. Met dit al wil ik gaarne toegeven, dat zijne theorie der kennis niet in alle opzigten volledig is, en vooral over het verband tusschen denken en waarneming na hem beter is geschreven; maar dit neemt niet weg, dat de beginselen daarvan in zijn stelsel gevonden worden, en dat hij reeds het plan gevormd had, om de theorie van het gebruiken onzer zintuigen en van het nemen van proeven om daardoor de eeuwige wetten der natuur op te sporen, opzettelijk uit te werken, doch hierin door den dood verhinderd is, gelijk uit de laatste bladzijden van zijne onvoltooide verhandeling Over het verbeteren van het denkvermogen ten duidelijkste blijkt (1).
(1) Eth. II. prop. vu. schol.
(2) Eth. II. prop. vu. vin. V. i.
(3) Eth. II. prop. xiv. V. prop. xxxix. cum scholio.
(4) Eth. IV. prop. xxxviii.
(5) Tract Theol. Pol. III 42.
(6) Eth. IV. prop. ii—iT. Append. xxxii.
(7) Eth. IV. prop. Lxxm. Append. xiv.
(8) Eth. IY. App. xxvii.
(9) Eth. IV. prop. xli ; xlh , xlv. cor. n. schol.
(10) Eth. IY. prop. xliif.
(11) Eth. IV. prop. lxxi. schol. App. xix , xx.
(12) Tract Polit cap. xi 4.
(13) Eth. IV. app. xxvhi, xxix.
(14) Eth. III. praef.
(15) Etb. IV. prop. lvii. schol. Y. prop. *v. schol.
(16) Eth. Y. prop. xvn.
(17) Eth. III. prop. II. schol.
(18) Eth. IV. prop. lxvu.
(19) Eth. IV. app. xxxii. V. prop. xx. schol.
(20) Eth. IV. prop. XLVf.
(21) Eth. III. prop. xli.
(22) Eth. V. prop. xxiii, xxxvm. cum. schol, xxxix.
(23) Eth. II. prop. i, ii.
(24) Eth. II. prop. mi. coroll.
(25) Eth. II. prop. xvii. schol. Tract. polit. I. 2, 3. XI. 4.
(26) Eth. V. prop. xxiv.
(27) Tract de Intell. emend. p. 103 ed. Riedel.