Over het lied van Debora, 1855

Over het lied van Debora.
Door D. Burger, Jr.

(Eene Voorlezing.)

Wie de teekenen der tijden opmerkzaam gadeslaat, en daarbij vergelijkingen maakt tusschen verschillende tijdperken, komt, met betrekking tot de waardering des Bijbels, alras tot de waarneming, dat in ónzen tijd, in óns land, het Oude Testament oneindig minder dan vroeger gelezen wordt; ja, dat velen daarmede bijkans geheel niet bekend zijn. Meermalen heb ik, die dat Testament ook om zijne letterkundige schoonheden lief heb, wanneer ik over die onkunde mijne bevreemding te kennen gaf, tot antwoord gekregen: ‘Het Oude Testament is ons onverschillig, omdat wij geene Joden, maar Christenen zijn; en daarenboven is het voor een groot gedeelte onverstaanbaar. Heeft men al eenigen zin uit de woorden kunnen maken, dan stuit men toch telkens op zinspelingen op allerlei andere zaken, die ons geheel onbekend zijn. Daarom is het niet te vergen dat iemand er zijnen tijd aan bestede.’

Ik wil nu niet onderzoeken, of zij die zóó spreken, hunnen tijd werkelijk zoo veel nuttiger doorbrengen dan zij doen zouden wanneer zij het O.T. bestudeerden; maar ik wil de redenen eens nagaan, waarom zij het op zijde schuiven.

Vooreerst zegt men: ‘dat het voor Christenen onverschillig is’. – Als ik mij op Godgeleerd terrein begeven mogt, zou ik daar veel over kunnen zeggen; doch ook zonder dat, kan ik mijn gevoelen, dat het O.T. voor Christenen allezins belangrijk is, genoeg verdedigen, door eenvoudig aan te merken: dat de in het Nieuwe Testament verhaalde gebeurtenissen grootendeels in het Joodsche Land hebben plaats gehad; dat Joden daarin de handelende personen zijn; en dat dus bekendheid met de godsdienstige, zedelijke en maatschappelijke betrekkingen van het Joodsche volk voor elk die het Nieuwe Testament wil verstaan, allezins noodig is. Daar nu het Joodsche volk in al die bijzonderheden hoofdzakelijk uit het O.T. gekend wordt, zie ik niet in, hoe men dit laatste voor onverschillig kan houden, wanneer men wezenlijk vervuld is met de begeerte om het Nieuwe Testament goed te leeren verstaan.

De andere tegenwerping heeft méér schijn van grond. Men zegt, namelijk: ‘dat het O.T. onverstaanbaar is’. – Ware ’t dat inderdaad, dan zou dit gebrek zekerlijk van de lezing moeten afschrikken; doch ik ontken die onverstaanbaarheid. Vooreerst kan de onverstaanbaarheid van het gehééle O.T. slechts door hen beweerd worden die ’t nooit gelezen hebben, en tot de zoodanigen kan ik niets anders zeggen dan: ‘komt en ziet!’ Maar ten andere is die onverstaanbaarheid, waar zij moeijelijk schijnt te weêrspreken, grootendeels aan andere oorzaken te wijten.

‘Om het O.T. te verstaan’ – zegt men – ‘moeten de woorden begrepen worden, maar dat is dikwijls onmogelijk; en al begrijpt men de woorden, de zinspelingen op onbekende zaken zijn zoo vele, dat daardoor toch de zin voor ons bedekt blijft.’ – Hierop valt weder aan te merken: dat dit, althans voor een gedeelte, de schuld is van de Staten-vertaling, door de meesten nog gebruikt, die dikwijls den zin van het oorspronkelijke verkeerd aangeeft, en opgesteld is in Oud-Hollandsch, dat óók zijne moeijelijkheid heeft, en die door eene ál te letterlijke overbrenging vaak onduidelijke spreekwijzen bevat, daar wij er eigenlijk Hebreeuwsch met Hollandsche woorden in lezen. Maar dit gebrek is door latere vertalingen reeds veel verholpen, en wordt dat meer en meer, zoodat het geen onoverkomelijk beletsel tegen de studie van het O.T. oplevert. Ook was dat gebrek niet zóó groot als men voorgeeft, gelijk ieder getuigen kan, die de moeite heeft genomen om de Staten-vertaling opmerkzaam te lezen. – Omtrent de zinspelingen op onbekende zaken, moet ik doen opmerken, dat die, ook zonder studie van de Hebreeuwsche Oudheden, voor een groot gedeelte door het O.T. zelf worden opgehelderd, of door het lezen van een paar reizen door Palestina, die tegenwoordig zoo gemakkelijk zijn te bekomen, veel licht kunnen ontvangen.

Nu zegt men welligt: ‘Het moge waar zijn, dat bekendheid met het O.T. noodig is om het Nieuwe goed te verstaan, en ook dat het wel kán begrepen worden als men zich eenige moeite wil geven; maar is het, op zich-zelf, wel lezenswaard?’ Hier zou ik op kunnen antwoorden: dat ik-zelf ’t met veel genoegen gelezen heb; dat de beroemde Fransche Dichter en Schrijver de lamartine verklaard heeft: de Psalmen van david boven de voortreffelijkste voortbrengselen der Grieksche dichtkunst te schatten; dat in Engeland, en niet minder in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, het O.T. door millioenen met de grootste belangstelling gelezen en hoog gewaardeerd wordt, enz. Ik houd echter niet van zulke antwoorden, die den schijn hebben als of men zijne toehoorders door eene menigte van getuigen tot het aannemen eener voorgedragene stelling wil noodzaken. Evenmin wil ik door redeneringen mijn gevoelen aandringen, daar ik bij ervaring weet, dat redeneringen over zaken die den toehoorder niet volkomen bekend zijn, weinig uitrigten. Liever wil ik een stuk uit het O.T., volgens eene verbeterde vertaling en met de noodige ophelderingen, voordragen, om aldus mijn gevoelen te doen bevestigen door uwe eigene waarneming.

Daartoe heb ik het lied van Debora uitgekozen, dat in het Vijfde Hoofdstuk van het Boek der Rigteren gevonden wordt.

Ik zal eerst eenige bijzonderheden mededeelen tot regt verstand van het lied, en vervolgens het lied zelf voorlezen, zoo als ik meen dat het vertaald moet worden. Een enkel woord tot opheldering zal ik er tusschenvoegen.

De Israëlieten hadden Kanaän veroverd, doch, tegen het bevel van mozes, een groot gedeelte der oude bevolking in het land laten blijven. Toen zij later door tweedragt en gemis van eerbied voor de Wet en de Godsdienst, die ’t verband uitmaakten van hun volksbestaan, verzwakt waren, stonden telkens van die overgeblevene volken op, en heroverden een gedeelte van de door Israël in bezit genomen landstreken tot dat de Israëlieten, onder aanvoering van den eenen of anderen held, zich verhieven en weder vrijvochten. Die helden voerden den algemeenen naam van Rigters, omdat het regtspreken in het Oosten de voornaamste werkzaamheid was van den Vorst (zie Exod. xviii), wiens verdere taak in het aanvoeren des legers bestond. Zulk een held hield dan gewoonlijk na het verslaan der vijanden, tot op zijnen dood, het bewind in handen. Het tijdvak dezer Nationale helden of rigters kan men dus het helden-tijdvak van het Israëlitische volk noemen.

In dat tijdvak gebeurde het, dat jabin, de Koning van Hazor, het Noordelijke deel van Kanaän aan zich had onderworpen. Dit was hem vooral dáárdoor gelukt, dat hij eene groote legermagt met negen honderd ijzeren strijdwagens bezat, die door sisera, een zeer bekwamen Veldheer, werd aangevoerd.

Toen deze onderdrukking twintig jaren had geduurd, verhief zich de profetes debora, de Israëlitische kenau hasselaar, en sprak met gezag tot den dapperen barak, om dien tot het bestrijden van sisera aan te sporen. Barak verklaarde zich bereid, mits debora zelve aan den togt deelnam. Toen zij dit beloofd had, riep hij de Noordelijke Stammen te wapen, en bezette met tien duizend man den berg Tabor. Jabin, dit hoorende, zond zijnen Veldheer sisera, om den opstand te onderdrukken. Maar de hoofdsterkte van diens legermagt bestond weder uit strijdwagens, die eene vlakte noodig hadden om zich te kunnen bewegen, en sisera legerde zich dáárom bij de steden Thaänach en Megiddo, in het dal van Jisreël. Zoo lang dus barak den berg Tabor bezet hield, was hij veilig, maar kon ook bezwaarlijk aan sisera afbreuk doen. Op eens echter betrok de lucht, een Zuidenwind stak op, en over de streek van den berg Sinaï, over het gebergte van Seïr en de velden van Edom, kwam een hevig onweder op, met regenplassen, die de beek Kison, in de vlakte van Jisreël, deden zwellen en buiten hare oevers treden, en het door sisera’s wagenmagt bezette dal overstroomen (1). Zoodra debora dit zag, zeide zij tot barak: ‘Trek op; want dit is de dag waarop jehova sisera in uwe hand heeft gegeven. Is jehova niet voor uw aangezigt uitgetogen?’ – Inderdaad had de overstrooming in het leger van sisera groote verwarring doen ontstaan. Hier maakte barak gebruik van: hij toog met zijn voetvolk van den Tabor af, viel op de legermagt des vijands aan en versloeg die. Sisera zelf verliet zijnen wagen, waar hij in ’t gedrang geene dienst van kon hebben, en vlugtte te voet naar de tenten der Keniten, een zwervenden herderstam, die met jabin en met Israël beiden in vrede was. Het Opperhoofd van den stam was afwezig, doch zijne huisvrouw jaël ontving den geslagen Veldheer schijnbaar vriendelijk, gaf hem melk te drinken en verborg hem in hare tent. Toen hij echter, zich veilig wanende, daar van vermoeijenis in slaap was gevallen, nam jaël, die denkelijk in haar hart het volk van Israël meer was toegedaan, doch zich om haren man had ingehouden, die gelegenheid te baat om hem te vermoorden. De regten der gastvrijheid schendende, greep zij eene tentpen en sloeg die met een hamer door de hoofdslapen van sisera heen in de aarde vast. Toen barak met debora, den vijand vervolgende, hare tent voorbijkwam, riep zij hem, en toonde hem wat zij gedaan had. Hare daad werd door debora, die in dit geval door hare liefde voor Godsdienst en Vaderland schijnt te zijn verblind geweest, hoogelijk geprezen.

Het behoeft niet gezegd te worden, dat deze overwinning groote vreugde onder de Israëlieten verwekte. Zij hielden dan ook een optogt om haar te vieren (2), en debora zong daarbij het volgende lied:

‘Looft den Heer, omdat de Vorsten in Israël zich vorstelijk gedroegen, omdat het volk zich vrijwillig aanbood.
Hoort gij, Koningen! Leent het oor, gij magtigen! Ik zal zingen voor den Heer. Ik zal de snaren roeren voor Jehova den God van Israël.
Jehova! toen gij van Seïr uittoogt, toen gij voortgingt door het veld van Edom, toen beefde de aarde, en de hemel droop de wolken dropen van water.
De bergen vloden weg voor het aangezigt van jehova, den Heer van Sinaï, voor het aangezigt van Jehova den God van Israël.

Hier worden duidelijk het onweder en de plasregen beschreven, die, uit het Zuiden opgekomen, in dichterlijke taal worden voorgesteld als een togt van jehova, van Sinaï, over Edom heen, naar het Noorden van Palestina, om zijn volk te komen verlossen.

De uitdrukking: ‘de bergen vloden weg’, doelt op het bekende verschijnsel, dat, wanneer men van eene hoogte eene hevige donderbui ziet opkomen, het verschiet langzamerhand verdwijnt, en als ware ’t voor het onweder wegvlugt.

Nu volgt de beschrijving van den rampzaligen toestand van Israël, vóór dat Debora zich het lot van haar volk had aangetrokken.

‘In de dagen van Aamgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jaël, werden de wegen verlaten; de reizigers vermeden den weg en zochten bijwegen.
Er waren geen dorpen meer in Israël, zij’ waren er niet meer, tot dat ik, debora, Dpstond; tot dat ik opstond als eene moeder in Israël.’

Hier verheft zich de profetes met regtmatige zelfvoldoening op hare groote daad. Terstond geeft zij echter Gode de eer, en erkent de dapperheid der helden, die op hare roepstem onder barak waren uitgetrokken. In geestvervoering roept zij uit:

‘God verkiest nieuwe dingen. Er was oorlog aan de poorten [der steden]; en er werd geen schild en speer onder veertig duizend in Israël gevonden.
[Maar nu] zegt mijn hart, tot de bestuurders van Israël, die zich onder het volk vrijwillig aanboden: prijst den Heer!
Gij, die op witte ezelinnen rijdt, die op kussens zit en over den weg gaat: zingt! Verheft uwe stem luider dan die van hen, die het water over de akkers verdeelen!’ (3)

Na deze woorden wendt de dichteres haar gelaat naar de zijde van waar het overwinnende leger aankomt, en roept:

‘Daar vermelden zij de weldaden van Jehova! De weldaden van zijn bestuur over Israël. Daar daalt het volk van Jehova naar de poorten af. Waak [nu] op! waak op, Debora! zing een lied. Rijs op, Barak! en leid uwe gevangenen voort, o zoon van Abinóam!

Nu volgt de beschrijving van den optogt. Eerst vermeldt zij kortelijk de krijgsgevangenen, en daarop uitvoeriger het Israëlitische leger, waarbij zij geenszins vergeet, die Stammen te beschimpen, welke aan den oorlog geen deel genomen hadden.

‘Daar dalen zij af, die van de helden [des vijands] zijn overgebleven. Daar daalt het manhaftige volk van Jehova tot mij af.
[Daar komen] de Ephraïmiten, die op den berg Amalek gevestigd zijn, en aan uw volk, [o, Ephraïm!] sluit Benjamin zich aan. Uit Machir komen de aanzienlijken, en uit Zebulon zij die den staf des bevels hanteeren.’

Machir is hier Manasse; want Manasse’s eerstgeboren zoon werd aldus genoemd. Uit geen dezer drie Stammen, Ephraïm, Manasse en Zebulon, schijnen alle weerbare mannen gekomen te zijn.

‘Ook de Vorsten van Issaschar waren met debora, en barak’s steun was Naphtali, die in het dal zijn voetspoor volgde. Aan de beken van Ruben waren groote voornemens.
Waarom zijt gij, [o, Ruben!] tusschen de schaapskooijen naar het gefluit der herders blijven zitten luisteren? Aan de beken van Ruben waren groote beraadslagingen.
Gilead hield zich rustig aan de overzijde der Jordaan, en waarom waren de Daniten op schepen afwezig? (4)
Aser hield zich stil aan het zeestrand en bleef rustig in zijne havens.
Maar Zebulon is een volk, dat zich-zelven verloochend en het doodsgevaar getrotseerd heeft, en Naphtali niet minder, al was hij veilig op zijne bergen.’

Nu volgt de beschrijving van den strijd, met dankbare erkenning, dat, hoe veel heldenmoed door het leger van Israël was betoond, de overwinning toch aan Gods onmiddellijke hulp, aan de door plasregens bewerkte overstrooming van den Kison, moest toegeschreven worden.

‘De Koningen kwamen en streden. Daar streden de Koningen van Kanaän, te Thaänach, aan het water van Megiddo.
Buit van zilver behaalden zij niet.
Neen! van den hemel werd er gestreden. De sterren streden uit hare loopbanen tegen sisera. De beek Kison, de van ouds vermaarde beek Kison, spoelde ze weg.
Waak nu krachtig op, mijne ziel!’

Thans beschrijft de dichteres de vlugt der vijanden en het smadelijk uiteinde van den vijandelijken Veldheer, die door eene vrouwenhand moest omkomen. Jaël wordt daarbij wegens haren bijstand geprezen, doch verwenschingen zijn het deel der inwoners van Meroz, omdat zij zich aan het vervolgen der vijanden onttrokken hadden.

‘Toen stampten de hoeven der paarden, door de overhaaste vlugt zijner helden.
Vloekt Meroz, zegt de Engel van Jehova, vloekt hare inwoners met vervloeking!

Omdat zij niet kwamen om Jehova te helpen, om Jehova te helpen onder de helden.
Gezegend boven de vrouwen zij Jaël!
Gezegend boven de tentbewoonsters zij de huisvrouw van Heber den Keniter!
Water vroeg hij; melk gaf zij. In eene kostelijke schaal bragt zij room.
Zij stak hare hand uit naar de tentpin, hare regterhand naar den hamer der werklieden.
Zij sloeg Sisera en beukte zijn hoofd. Zij trof en doorboorde zijne slapen.
Tusschen hare voeten kromde hij zich, viel neder en lag. Tusschen hare voeten kromde hij zich en viel. Waar hij zich kromde, daar viel hij verslagen.’

Men ziet hieruit welk een geweldigen indruk het rampzalig uiteinde van Sisera op de Israëliten gemaakt had. Zij zagen een Gods-oordeel vooral daarin, dat de grootste vijand der dienst van Jehova door de hand eener vrouw was geveld.

Nu verplaatst zich de zangeres met een echt lyrischen sprong in het paleis der moeder van Sisera, die wel over zijn lang uitblijven verwonderd was, doch zulk een afloop niet vermoeden kon.

‘Door het venster ziet zij uit. Sisera’s moeder ziet door het tralievenster, en roept: Waarom vertoeft zijn wagen te komen?
Waarom talmen de schreden van zijn gespan?
De verstandigste harer staatjuffers antwoorden haar. Ook antwoordt zij zich-zelve:
Zij vinden en deelen immers den buit.
Één meisje; twee meisjes, als buit voor ieder man.
Eén purperen kleed; twee purperen kleederen, als buit voor sisera.
Eén geborduurd kleed; twee geborduurde kleederen, als buit voor mijnen hals!’

De tegenstelling der werkelijkheid tegen deze grootspraak laat de zangeres aan hare toehoorders over, en, te regt onderstellende dat zij niet zullen nalaten die te maken, eindigt zij met een triumfkreet:

‘Zóó vergaan al uwe haters, Jehova!
En die Hem lief hebben zijn als de zon, die in hare heerlijkheid opgaat!’

Het verhaal eindigt met deze korte aanmerking: ‘en het land had [hierop] veertig jaren rust’.

Wanneer het mij gelukt is, u de schoonheid van dit gedicht eenigzins te doen gevoelen, zult gij toestemmen dat het eene eervolle plaats onder de triumfzangen inneemt. Het spreekt van zelf, dat er in de vertaling veel verloren gaat, daar de welluidendheid en de aan geen vasten regel gebonden rythmus, die als een wildzang met daverende toonen klinkt, onmogelijk waren weder te geven. Mogt door deze zwakke poging de ingenomenheid met het O.T. vermeerderd zijn, en de lust om het opmerkzaam te lezen, bij sommigen zijn opgewekt, dan zou ik mijne moeite rijkelijk beloond achten.

(1) Welk eene uitwerking zulk eene beek in Palestina doen kan, blijkt onder anderen uit jesaia xxx: 28, waar de toorn van jehova daarmede wordt vergeleken.
(2) Dergelijke zegepralende optogten komen bij de Israëlieten méér voor. Zie, b.v., Exod. xv. 1 sam. xv: 12.

(3) Woordelijk: ‘meer dan de stem der verdeelers tusschen de watergoten.’ M.i. moet hier aan personen gedacht worden, die het opzigt over de kunstmatige besproeijing der akkers hadden. Zie Spr. xxi: I. Ps. i: 3.

(4) Denkelijk namen vele Daniten dienst op Phenieische schepen.

Auteur: admin

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *