Een woord over de Orthodoxe Russische Kerk (1854)

Een woord over de Orthodoxe Russische Kerk.
Medegedeeld door Dr. D. Burger, Jr.

Men hoort tegenwoordig veel van het orthodoxe geloof der Russen. Weinig menschen echter weten wat dit is, en sommigen laten zich door den klank der woorden zelfs verleiden, om tusschen hetgeen alhier tegenwoordig orthodox genoemd wordt en de Russische orthodoxie eenig verband te veronderstellen. Het is daarom niet ongepast, dat wij kortelijk opgeven wat de Russische Kerk eigenlijk is. Wij bedienen ons daarbij van de ook hier te Lande gunstig bekende Algemeene Geschiedenis van Karl von Rotteck.

Toen, na den val van het Westersche Romeinsche Rijk, de Barbaren zich van een groot deel van Europa meester maakten, scheen de beschaving in groot gevaar te verkeeren. Het Christendom echter vond bij die Barbaren ingang, verbreidde zich langzamerhand onder hen, en legde den grond tot eene hoogere ontwikkeling. Evenwel, terwijl het Christendom zich aldus meer en meer uitbreidde, ontstond er binnen de Christelijke Kerk-zelve tweespalt en scheuring. De Grieksche Kerk, namelijk, werd langzamerhand van de Latijnsche vervreemd, en scheidde zich eindelijk geheel en al af. Deze scheiding vertoonde zich reeds van verre in de Kerkvergadering van Sardika (346), waar de zaak van athanasius en der Geloofsbelijdenis van Nicaea door vier-en-negentig Latijnsche Bisschoppen werd voorgestaan, terwijl zeven-en-zestig Grieksche Bisschoppen zich daartegen verklaarden. Slechts door de onderlinge tweedragt der Oostersche Prelaten werd de scheiding vooreerst nog tegengehouden, vermits bij de langdurige twisten over geloofspunten de eene partij zich telkens naar Rome om bijstand wendde, daardoor niet zelden de overwinning behaalde, en om die reden de zoo nuttige vriendschap van Rome vervolgens aanhield.

Langzamerhand vermeerderden kleine verschillen in de gebruiken van de eerdienst en ook in geloofspunten den wederkeerigen haat, en deze werd vooral aangevuurd door den naijver der beide Patriarchen, van Rome en Constantinopel. De eerste had, na zijne scheiding van het Byzantijnsche Rijk, en gedeeltelijk juist daardoor, in den strijd, wie de meeste zijn zou, véél vooruit gekregen; doch de Metropolitaan van Constantinopel verbond zijne zaak met die van den troon des Keizers die hem beschermde. Persoonlijke vijandschap tusschen twee Patriarchen deed eindelijk de scheiding tot stand komen.

De Patriarch van Constantinopel ignatius werd door Keizer Michaël III afgezet, en in zijne plaats werd Photius op den hoog-bisschoppelijken stoel verheven.

Deze Photius was een geleerde leek, die zich als staats- en krijgsman had onderscheiden, en nu plotseling langs al de trappen der kerkelijke wijding tot den hoogsten werd verheven (852). Paus Nikolaas I echter verklaarde zich voor ignatius, en deed Photius in den ban. Photius nam den strijd onverschrokken aan en beoorloogde den Paus met de wapens der godgeleerdheid.

Hij verweet aan de Latijnsche Kerk, dat zij de zuiverheid des geloofs bedorven had door veroordeelingwaardige toevoegselen aan de heilige symbolen. Dat de Heilige Geest niet alleen van den Vader, maar ook van den Zoon is uitgegaan, hetwelk éérst, in de zevende eeuw, door de Spaansche, en vervolgens ook door de Gallische Synoden was beweerd, werd door photius als eene nieuwigheid veroordeeld. Hij beweerde, daartegen, dat de mond die de woorden ook van den Zoon durfde uitspreken, geen Christelijke mond was. Met dit hoofdbezwaar werden nog andere grieven verbonden. De Latijnsche Kerk toch gebruikte bij het Avondmaal ongezuurd brood, en stond in de vaste het gebruik van melk en kaas toe; hare priesters schoren hunnen baard en onthielden zich van het huwelijk, enz. Hierbij kwam nog de strijd over de vraag: of de onlangs bekeerde Koning der Bulgaren onder het kerkelijk gebied van Rome of van Constantinopel behoorde?

Eenigen tijd daarna werd Photius door den moordenaar en opvolger van Michaël, Basilius den Macedoniër, afgezet. Hierover zegepraalde Rome op eene te Constantinopel in 869 gehouden Kerkvergadering, waar de veroordeeling van Photius werd hernieuwd. Na den dood van Ignatius echter, werd Photius weder in zijne waardigheid hersteld en bevestigde zich daarin door de vriendschap van Paus Johannes VIII, die in dit geval meer met zijne persoonlijke gezindheid dan met de grondregelen van de Pauselijke staatkunde raadpleegde. Ook dit was evenwel niet van duur, want na den dood van Basilius werd Photius ten tweedenmale afgezet. Hij stierf in de Keizerlijke en in de Kerkelijke ongenade.

Zonder verzoening en zonder eigenlijken strijd bleef nu de verhouding tusschen Rome en Constantinopel in de tiende eeuw en de eerste helft der elfde ongeveer op denzelfden voet. Eindelijk werd door den overmoed van den Patriarch Cerularius de breuk ongeneselijk. Deze Patriarch schreef een herderlijken brief aan de Kerken van Apulië, die door toedoen van de aldaar gevestigde Noormannen in betrekking tot Rome gebragt werden, en spoorde haar aan, om het gezag van den Paus te verwerpen. Rome antwoordde met een plegtigen banvloek (16 Julij 1054), die door de gezanten van den Paus in Constantinopel zelve op het altaar der Sophia-kerk werd nedergelegd, en nimmer is herroepen. Van dien tijd af bestaat het Grieksche Schisma. Meermalen werden er, wegens staatkundige redenen, door de regering van Constantinopel pogingen ter verzoening gedaan; doch het volk en de geestelijkheid volhardden in hunnen haat tegen Rome, en eene opregte verzoening is nimmer tot stand gekomen.

De Grieksche Kerk, op deze wijze van de Latijnsche gescheiden, voert tegenwoordig den naam van de orthodoxe Grieksche Kerk, daar zij beweert het ware geloof in al zijne zuiverheid bewaard te hebben. Tot deze Kerk behoort Rusland. Olga, de weduwe van Ighor, den beheerscher der Russen, kwam in 955 naar Constantinopel en liet zich doopen. De invoering des Christendoms had echter eerst onder haren kleinzoon Wladimir I (in 987) plaats. Wladimir was gehuwd met Anna, de dochter van den Keizer van Constantinopel, en het is denkelijk door zijne echtgenoote, dat hij tot het invoeren des Christendoms werd bewogen.

Toen nu Peter de Groote in het inwendige bestuur van Rusland allerlei veranderingen en verbeteringen maakte, ontging ook de Kerkelijke toestand niet aan zijnen blik. Peter verminderde de magt der geestelijkheid, en beperkte de instelling der monniken. Hij bepaalde: dat geen man vóór den ouderdom van dertig, geene vrouw vóór dien van vijftig jaren, de kloostergelofte mogt afleggen, en noopte diegenen die het deden, tot nuttigen arbeid en het uitoefenen van werken van liefde. Hij kon in deze dingen bevelen en wetten geven, nadat hij in de plaats van den magtigen Patriarch eene heilige besturende Synode had gezet, en door middel van deze van hem afhankelijke Synode, de Russische Kerk beheerschte. Nadat, onder Czaar Alexei Michailowitsch, de Patriarch Nikon zich van den Patriarch van Constantinopel, die onder het Turksche bestuur minder magt had dan te voren, geheel had weten vrij te maken (1668), was de Patriarch van Moscou zoo zeer in aanzien en magt toegenomen, dat hij zich zelfs tegen den Czaar durfde verzetten. Om nu in waarheid Alléénheerscher te wezen, deed Peter, na den dood van den Patriarch Adriaan, het patriarchaat slechts door eenen exarch waarnemen (1700), en schafte eindelijk de betrekking van Patriarch geheel af (1721). Sedert dien tijd is de Russische Kerk geheel van den Czaar afhankelijk geworden.

Deze historische bijzonderheden toonen genoeg aan, dat de Russische orthodoxie met de Nederlandsche niets overeenkomt; dat Ruslands Alleenheerscher ook in de Russische Kerk de waardigheid van Opperhoofd bekleedt, en dat voorts de Russische Kerk evenmin als de Roomsche genegenheid voor de Protestantsche Kerk kan koesteren.

Auteur: admin

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *